© leer-spaans.nl

Rellena con la forma correcta del verbo wonen, hebben, zoeken, werken, willen o zijn

Hij als barkeeper in een bar.
Wat jullie drinken?
Hoe oud hij?
Ik werk als gids bij een touroperator.
Ik 3 broers. Zij 2 zussen.
Mijn ouders in Peru. Ik in Nederland.
Hij Spaans en graag naar Zuid-Amerika.
Hij geen werk, maar een baan als winkelbediende.
u rode wijn? Ik een fles open staan.
Wij graag buiten de stad.
Ik als docent op een basisschool. Waar jij?
Ik Nederlandse en zij Engelsen.